
In feite wordt hiermee een substantie bedoeld die op het oppervlak van rode bloedcellen wordt aangetroffen. De term resus verwijst naar het feit dat de medische onderzoekers Landsteiner en Wiener in 1940 bij resusaapjes, de proefdieren die algemeen worden gebruikt voor onderzoek naar het gedrag en de eigenschappen van rode bloedcellen - deze substantie, een zogeheten agglutinogeen, ontdekten.
Later werd dit agglutinogeen ook aangetroffen bij 85 procent van alle mensen met een blanke, en bij zelfs 95 procent van alle mensen met een zwarte huidskleur.
Omdat deze mensen dus de resusfactor in hun bloed hebben, worden zij resuspositief genoemd; mensen zonder resusfactor zijn uiteraard resusnegatief.
Het ontbreken van de resusfactor heeft echter geen negatieve gevolgen voor de gezondheid en wordt alleen belangrijk als betrokkene een bloedtransfusie nodig heeft of - als het een vrouw betreft - zwanger wordt.
Een jaar na de ontdekking van de resusfactor constateerde een groep andere onderzoekers dat er verband bestond tussen de resusfactor en een dikwijls fataal verlopende ziekte bij het ongeboren kind die erythroblastosis foetalis wordt genoemd.
Deze ziekte, die fataal kan zijn of ernstige aangeboren afwijkingen doet ontstaan, is het gevolg van de tegenstelling tussen het resusnegatieve bloed van de moeder en het resuspositieve bloed van de foetus, dat van de vader is geërfd. Deze tegenstelling wordt resusantagonisme genoemd.
Dit kan tragische gevolgen hebben, als er bij een vorige zwangerschap omstreeks het moment van de bevalling wat resuspositief bloed van de eerste foetus in het bloed van de moeder terecht is gekomen. Haar lichaam gaat dan antilichamen tegen resuspositieve rode bloedcellen ontwikkelen.
Wanneer nu bij een volgende zwangerschap de foetus opnieuw resuspositief bloed heeft, komen de antilichamen van de moeder via de placenta in het bloed van de foetus, waar ze de rode bloedcellen gaan aanvallen en afbreken omdat die resuspositief zijn.
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16
26/05/2003
Medica Press