• rating
    • rating
    • rating
    • rating
    • rating
    0 mening
  • Commentaren (0)

Proefbuisbaby: toch enkele risico's

Proefbuisbaby: toch enkele risico'sVolgens een Amerikaanse en een Australische studie zou medisch geassisteerde bevruchting toch niet zonder risico zijn voor de toekomst van de kinderen. Proefbuisbaby's zouden tweemaal meer risico lopen op een laag geboortegewicht of aangeboren misvormingen dan andere baby's. Het risico is weliswaar laag, maar de ouders moeten toch op de hoogte zijn vooraleer ze een beslissing nemen.

Dankzij de vooruitgang van de medisch geassisteerde bevruchting hebben vele steriele koppels tot hun grote vreugde toch een kind gekregen. De belangrijkste aanwinsten zijn te danken aan twee technieken: in vitro fertilisatie (IVF) en ICSI.

Verschillende technieken

Bij in vitro fertilisatie, de eerste techniek, worden een eicel en een zaadcel in een proefbuisje samengebracht als dat op natuurlijke wijze niet mogelijk blijkt te zijn (ovulatiestoornissen, misvorming van de eileiders). Zodra het eitje bevrucht is, wordt het in de baarmoeder van de moeder geïmplanteerd. De foetus ontwikkelt zich dan normaal.ICSI (Intracytoplasmatische injectie van spermatozoa) is een recentere techniek die meer wordt toegepast als de man steriel is. Zoals de naam het zegt, bestaat de techniek erin het spermatozoön rechtstreeks in de eicel te brengen. Dat wordt bijv. gedaan als de spermatozoa onvoldoende bewegen of als ze niet in staat zijn zelf in de eicel te dringen.

Wat is er van de proefbuisbaby's geworden?

Het is nu ruim 20 jaar geleden dat de eerste proefbuisbaby, Louise Brown, werd geboren (1978). Tijd dus om een stand van zaken op te maken. Wat is er van die baby's geworden? Hebben ze zich normaal ontwikkeld? Hebben de gebruikte technieken het risico op afwijkingen niet verhoogd? Het antwoord op die laatste vraag blijkt positief te zijn, volgens de recente resultaten van een Australische en een Amerikaanse groep vorsers.

Artikel gepubliceerd door op 01/04/2002

Bronnen: Hanssen et coll. New England Journal of Medicine 2002; 346: 725-730 Schieve et coll. New England Journal of Medicine 2002; 346: 731-737

Vindt u het artikel interessant?
 

Meer weten