Overzichtspagina Gezondheid > Ziekten en aandoeningen > Huid, Nagels > Hoe herken je een allergie?

Hoe herken je een allergie?

Hoe herken je een allergie?Een allergie is in klinisch opzicht een in kwalitatieve zin veranderde gevoeligheid voor een antigeen op basis van een immunologisch proces. Een dergelijk antigeen wordt ook wel allergeen genoemd. Allergische ziekten worden gedefinieerd als een groep ziekten of aandoeningen, die berusten op een antigeen-antilichaamreactie. Er is altijd sprake van het circuleren in de bloedbaan van antilichamen


1. Allergenen en antilichamen

De vorming van antilichamen, dat wil zeggen sensibilisatie, treedt op wanneer het antigeen het antilichaam-vormend apparaat (immunologisch competente cellen: speciale kleine lymfocyten) stimuleert.

De gevormde antilichamen kunnen in het algemeen slechts een binding aangaan met het soort antigeen onder welks invloed zij zijn gevormd. Er is dus sprake van een specificiteit van het antilichaam, wat dan tevens de specificiteit van de antigeen-antilichaam-binding impliceert.

Deze specificiteit van het antilichaam wordt mede bepaald door een bepaalde chemische groep, de determinante groep, binnen het antilichaammolecuul. De rest van het molecuul fungeert als drager (carrier) van de determinante groep.

De antigenen kunnen een uiteenlopend vermogen hebben om de vorming van antilichamen te induceren. Antigenen kunnen zowel een eiwit- als een polysacharide-structuur hebben. Een volledig antigeen kan ook in het lichaam gevormd worden doordat bijvoorbeeld een geappliceerde chemische stof (zoals een geneesmiddel) als determinante groep (in dit geval ook wel hapteen genoemd) een fysisch-chemische binding aangaat met een lichaamseiwit als drager.

Antigenen zijn globulinen die in het algemeen tot de gammafractie behoren, soms tot de bètafractie van de globulinen. Men rangschikt ze immuno-elektroforetisch tot de klassen IgA, IgG en IgM. Een deel van de antilichamen kan immunologisch worden aangetoond.

Er bestaat een nauw verband tussen de symptomen veroorzaakt door antigeen-antilichaamreacties en de verschijnselen die veroorzaakt worden door het vrijkomen van histamine door bepaalde stoffen (zogenaamde histamine-liberators).

Men ziet de volgende verschijnselen:

- flush;
- urticaria (kwaddelvorming):
- oedeem en heftige jeuk over het hele lichaam.

Tot de histamine-liberators worden onder meer gerekend:

- bepaalde medicijnen (o.a. pethidine, broomsulfaleïne);
- voedsel (schelvis, aardbeien, eiwit, kreeft, garnalen).


2. Allergische reacties

De aard en de graad van de allergische reactie wordt door een reeks factoren bepaald:

  • de aard en de hoeveelheid van de aanwezige antilichamen; deze zijn afhankelijk van :

- de aard van het antigeen;
- de wijze van binnendringen van het antigeen;
- de prikkelbaarheid van het antilichaamvormend apparaat.

  • De hoeveelheid en de route van binnendringen van het antigeen dat de allergische reactie bij het organisme provoceert;


  • De aard van de stoffen die bij deze processen vrijkomen (bijvoorbeeld histamine).


De allergische reacties kunnen in vier typen worden ingedeeld:
- anafylactische reactie;
- cytotoxisch-cytologische reactie;
- Arthus-reactie;
- delayed type reactie.

Anafylactische reactie
Deze reactie wordt gekenmerkt door de zeer korte tijd waarbinnen hij optreedt (30 seconden tot 30 minuten) en door de functionele reacties van de gladde spieren, bloedvaten en klieren. Er zijn circulerende antilichamen; waarschijnlijk speelt het complement hier een rol.

De reactie kan zowel genegeraliseerd als lokaal aanwezig zijn:

  • generaliserende reactie: algemene contractie van de kleine slagaders (arteriolen) en glad spierweefsel;


  • lokaal: hierbij spelen de aan de cel gefixeerde antilichamen (reaginen) een rol:

- longen: astma (spiercontractie, slijvlieszwelling, secretie);
- neus: rhinitis vasomotorica (slijmvlieszwelling, secretie);
- huid: urticaria (kwaddelvorming met erytheem);
- maag-darmkanaal (spiercontractie, slijmvlieszwelling, secretie).

Cytotoxisch-cytologische reactie
Hierbij komt het allergisch mechanisme tot stand door aan de celoppervlak gefixeerde antigenen (haptenen) of een antigeencomponent van de cel. Er zijn circulerende antilichamen en het complement speelt een rol.

Voorbeelden zijn:
- transfusiereactie;
- trombocytopenie van pasgeborenen;
- auto-immunologische hemolytische anemie;
- allergische thyreoïditis;
- vormen van purpura;
- agranulocytose;
- vormen van acute nefritis.

Arthus-reactie
Hierbij is er sprake van een antigeen-antilichaambinding met complementconsumptie in de weefselspleten en mogelijk in de bloedbaan. Er treden lokale verschijnselen op: allergische infiltraten. Een voorbeeld is de boerenlong (‘farmers lung’), waarbij de patiënt vier tot zes uur na de inhalatie van schimmelig hooi, koorts krijgt en kortademig wordt.

Delayed type reactie
Deze wordt gekenmerkt door het feit dat het hoogtepunt van de reactie na 48 tot 72 uur optreedt. Het is een cellulaire reactie: mononucleairen met intracellulaire antilichamen spelen een rol. Er zijn geen circulerende antilichamen en er is geen complementconsumptie.

3. Onderzoek

De aanwezigheid van een allergie kan men opsporen met een huidallergietest of met behulp van bloedonderzoek. Een probleem is in hoeverre er een verband bestaat tussen een positief bevonden huidallergietest en een bepaald klinisch beeld.

De provocatie- of inhalatietest wordt gezien als een meer directe benadering van de allergische component bij CARA (astma, chronische bronchitis, emfyseem). Het doel van de inhalatie met een allergeenaërosol is een aanwijzing te vinden voor een specifieke sensibilisatie van de luchtwegen.

Met de spirometer wordt de vitale capaciteit van de patiënt drie keer in duplo bepaald. Hierna inhaleert de patiënt gedurende één minuut het allergeenextract dat door een vernevelaar met constante luchtstroom wordt verstoven. Dan wordt de vitale capaciteit opnieuw bepaald. Verschilt deze niet, of minder dan 10 procent, van de uitgangswaarden dan wordt de inhalatieproef verlengd tot hoogstens tien minuten, waarna de vitale capaciteit opnieuw wordt bepaald.

Treden tijdens de inhalatieproef geringe tekenen van ademhalingsbelemmering op, dan wordt het onderzoek onderbroken en zo mogelijk de vitale capaciteit opnieuw bepaald. Blijkt deze sterk te zijn gedaald of treedt er progressieve ademnood op, dan wordt de aanval gecoupeerd met behulp van geneesmiddelen.



19/02/2003
Medica Press


Pub

Verzekeringsruimte

Pub

 

16