Een allergie is in klinisch opzicht een in kwalitatieve zin veranderde gevoeligheid voor een antigeen op basis van een immunologisch proces. Een dergelijk antigeen wordt ook wel allergeen genoemd. Allergische ziekten worden gedefinieerd als een groep ziekten of aandoeningen, die berusten op een antigeen-antilichaamreactie. Er is altijd sprake van het circuleren in de bloedbaan van antilichamen
De vorming van antilichamen, dat wil zeggen sensibilisatie, treedt op wanneer het antigeen het antilichaam-vormend apparaat (immunologisch competente cellen: speciale kleine lymfocyten) stimuleert.
De gevormde antilichamen kunnen in het algemeen slechts een binding aangaan met het soort antigeen onder welks invloed zij zijn gevormd. Er is dus sprake van een specificiteit van het antilichaam, wat dan tevens de specificiteit van de antigeen-antilichaam-binding impliceert.
Deze specificiteit van het antilichaam wordt mede bepaald door een bepaalde chemische groep, de determinante groep, binnen het antilichaammolecuul. De rest van het molecuul fungeert als drager (carrier) van de determinante groep.
De antigenen kunnen een uiteenlopend vermogen hebben om de vorming van antilichamen te induceren. Antigenen kunnen zowel een eiwit- als een polysacharide-structuur hebben. Een volledig antigeen kan ook in het lichaam gevormd worden doordat bijvoorbeeld een geappliceerde chemische stof (zoals een geneesmiddel) als determinante groep (in dit geval ook wel hapteen genoemd) een fysisch-chemische binding aangaat met een lichaamseiwit als drager.
Antigenen zijn globulinen die in het algemeen tot de gammafractie behoren, soms tot de bètafractie van de globulinen. Men rangschikt ze immuno-elektroforetisch tot de klassen IgA, IgG en IgM. Een deel van de antilichamen kan immunologisch worden aangetoond.
Er bestaat een nauw verband tussen de symptomen veroorzaakt door antigeen-antilichaamreacties en de verschijnselen die veroorzaakt worden door het vrijkomen van histamine door bepaalde stoffen (zogenaamde histamine-liberators).
Men ziet de volgende verschijnselen:
- flush;
- urticaria (kwaddelvorming):
- oedeem en heftige jeuk over het hele lichaam.
Tot de histamine-liberators worden onder meer gerekend:
- bepaalde medicijnen (o.a. pethidine, broomsulfaleïne);
- voedsel (schelvis, aardbeien, eiwit, kreeft, garnalen).
De aard en de graad van de allergische reactie wordt door een reeks factoren bepaald:
De aanwezigheid van een allergie kan men opsporen met een huidallergietest of met behulp van bloedonderzoek. Een probleem is in hoeverre er een verband bestaat tussen een positief bevonden huidallergietest en een bepaald klinisch beeld.
De provocatie- of inhalatietest wordt gezien als een meer directe benadering van de allergische component bij CARA (astma, chronische bronchitis, emfyseem). Het doel van de inhalatie met een allergeenaërosol is een aanwijzing te vinden voor een specifieke sensibilisatie van de luchtwegen.
Met de spirometer wordt de vitale capaciteit van de patiënt drie keer in duplo bepaald. Hierna inhaleert de patiënt gedurende één minuut het allergeenextract dat door een vernevelaar met constante luchtstroom wordt verstoven. Dan wordt de vitale capaciteit opnieuw bepaald. Verschilt deze niet, of minder dan 10 procent, van de uitgangswaarden dan wordt de inhalatieproef verlengd tot hoogstens tien minuten, waarna de vitale capaciteit opnieuw wordt bepaald.
Treden tijdens de inhalatieproef geringe tekenen van ademhalingsbelemmering op, dan wordt het onderzoek onderbroken en zo mogelijk de vitale capaciteit opnieuw bepaald. Blijkt deze sterk te zijn gedaald of treedt er progressieve ademnood op, dan wordt de aanval gecoupeerd met behulp van geneesmiddelen.
19/02/2003
Medica Press