Onder drugs wordt een groot aantal stoffen gerangschikt met zeer uiteenlopende werking en met als enig gemeenschappelijk kenmerk het gebruik als genotmiddel.
De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) hanteert de volgende definitie van drugs:
'Iedere stof die, opgenomen in een levend organisme, in staat is één of meer functies van het organisme te beïnvloeden.'
In de medische vaktaal wordt een dergelijke stof aangeduid als farmacon, een woord dat uit het Grieks stamt en oorspronkelijk zowel geneesmiddel als gif kan betekenen. In het algemeen is deze definitie echter veel te ruim om hanteerbaar te zijn, want strikt genomen vallen vrijwel alle bekende stoffen eronder, of het nu drinkwater en zuurstof is, of rattengif.
In de praktijk wordt daarom door de arts en de apotheker alleen van farmacaügesproken wanneer geneesmiddelen worden bedoeld, dat wil zeggen alle stoffen die, indien zij op het juiste ogenblik, in de juiste vorm en hoeveelheid en op de juiste manier worden toegediend, een op dat tijdstip gunstig geachte verandering in de werking van het organisme kunnen teweegbrengen.
Het woord drug heeft in ons taalgebruik een andere betekenis gekregen, hoewel bepaalde stoffen (o.a. amfetamine, codeïne) zowel als geneesmiddel als ook als drug toepassing vinden.
In het algemeen maakt men onderscheid tussen soft- en harddrugsû waarbij de laatste als veel gevaarlijker dan de eerste worden beschouwd. Sommigen verzetten zich tegen dit onderscheid omdat naar hun mening in ieder druggebruik grote gevaren schuilen en de grens tussen soft- en harddrugs in feite slechts vaag is.
Onder softdrugsoverstaat men gewoonlijk de hennepproducten die geen gewenning of lichamelijke afhankelijkheid veroorzaken. De harddrugs, zoals heroïne, doen dat wel. Het woord drug, waarin een duidelijke verwantschap met het Nederlandse 'drogerijen' - gedroogde geneeskrachtige kruiden - en het Duitse 'Drogen' met dezelfde betekenis of het Franse 'drogue' - geneesmiddel - is eigenlijk niet meer dan het Angelsaksische woord voor geneesmiddel.
Daarnaast wordt het begrip drugsózowel binnen het Angelsaksische taalgebied als daarbuiten, de laatste jaren meer en meer gebruikt om een groep stoffen aan te duiden die ondanks hun sterk uiteenlopende oorsprong, vorm en uitwerking een aantal punten met elkaar gemeen hebben:
Dat drugs inwerken op de hersenen is een onomstreden wetenschappelijk feit dat zowel bij de mens als bij proefdieren is aangetoond. Voor vele stoffen bestaan in het lichaam specifieke aangrijpingspunten die men receptoren noemt. Voor morfine en morfine-achtige stoffen heeft men dergelijke receptoren aangetoond in het centraal zenuwstelsel (hersenen en ruggenmerg) maar ook in het maag-darmkanaal.
Bij voortdurende prikkeling van deze receptoren probeert het lichaam via het mechanisme van terugkoppeling de oorspronkelijke toestand te herstellen, zodat er opnieuw een evenwicht ontstaat en de gebruiker steeds ongevoeliger voor morfine wordt, behalve wat de pupilvernauwing betreft.
Dit leidt aan de ene kant tot steeds hogere doseringen om het gewenste effect (pijnstilling, roes) te verkrijgen en aan de andere kant tot een zeer heftige en onaangename reactie (onthoudings- of abstinentie-verschijnselen), als het gebruik plotseling wordt gestopt.
Tot voor kort was de fysiologische betekenis van de morfinereceptor volstrekt onduidelijk. In de jaren tachtig ontdekte men echter in de hersenen en het hersenaanhangsel eiwitachtige moleculen (enkefalinen en endorfinen) die zich farmacologisch gedroegen als morfine en waarvan men nu veronderstelt dat ze als neurotransmitters (hormonen met een zenuwwerking) een regulerende werking hebben, onder meer in de pijnbeleving en de darmfunctie.
Misbruik van bepaalde stoffen (geneesmiddelen of anderszins), dat wil zeggen het gebruik voor primair persoonlijke behoeftebevrediging in plaats van sociaal aanvaard gebruik, waarbij een gemeenschappelijk doel de voornaamste drijfveer vormde, zal in indÜviduele gevallen altijd wel zijn voorgekomen. Misbruik op grote schaal hangt meestal samen met grote verschuivingen in de bestaande sociale cultuurpatronen en is in onze westerse cultuur van betrekkelijk recente datum.
Hoewel bijvoorbeeld alcohol in onze cultuur altijd een belangrijke rol heeft gespeeld en individueel misbruik heeft bestaan, begint in West-Europa het uitgebreide 'sociale' alcoholisme pas na de tweede industriële revolutie in het begin van de negentiende eeuw. Soms als vervangingsmiddel van alcohol, maar vaker als huismiddel tegen alledaagse kwalen, kwam ook toen pas onder andere het gebruik van opium in zwang.
Sindsdien is een groot aantal veranderingen opgetreden en zijn veel accenten anders komen te liggen. Reizigers - meestal eerst missionarissen of schrijvers, later antropologen - brachten nieuwe, exotische middelen mee; in de geneeskunde werden nieuwe stoffen ontwikkeld. Van sommige (onder andere LSD) werd bij toeval de werking op de geest en de hersenen ontdekt.
Met de toegenomen kennis van en belangstelling voor de invloed van de stof op de geest werd het zoeken naar of het maken (synthetiseren) van dit soort (psychoactieve of psychotrope) stoffen of psychofarmaca een doel op zichzelf.
Tegelijkertijd veranderde de maatschappij; vaste cultuurpatronen werden steeds sneller doorbroken, generatieverschillen kwamen steeds heviger aan het licht.
De drang de werkelijkheid door middel van roesverwekkende stoffen te ontvluchten, is van oudsher aanwezig geweest, de middelen daartoe zijn echter ruimer dan ooit tevoren beschikbaar, terwijl de mens zich meer en meer gedwongen ziet zelf zijn persoonlijkheid te zoeken in een wereld die steeds minder zekerheid lijkt te bieden.
Al deze factoren zijn in hoge mate verantwoordelijk voor de ontwikkeling van wat op zichzelf niet werkelijk nieuw is, maar nu tot een probleem is uitgegroeid: het hedendaagse drugsprobleem.
- afhankelijkheid,
- gewenning en
- gewoonte.
Over begrippen als verslaving, afhankelijkheid, gewenning en gewoonte heerst nogal wat verwarring. Vooral in combinatie met de Engels-Amerikaanse equivalenten ervan worden ze veelvuldig door elkaar gebruikt, zonder dat duidelijk wordt aangegeven wat er precies mee wordt bedoeld.
Gebruikelijk is om van gewoonte te spreken wanneer er sprake is van gedrag; in dit geval het regelmatig gebruik van een middel, dat zonder veel moeite kan worden gestaakt, met andere woorden: wanneer er slechts een geringe afhankelijkheid bestaat.
Zoals boven reeds werd beschreven, grijpen de drugs waarschijnlijk aan op bepaalde receptoren, die de basis zouden kunnen vormen van het verslavingssyndroom. Men kan zich indenken dat een zichzelf versterkend proces ontstaat: gewenning van het lichaam leidt tot sterkere behoefte en gebruik van hogere doses, en de toenemende verstoring van de verschillende hersenfuncties vermindert de weerstand tegen de drang het middel te gebruiken, en tegen de psychologische en sociale spanningen die het gebruik van maatschappelijk niet aanvaarde middelen met zich brengt.
Psychische afhankelijkheid
Psychische afhankelijkheid heeft niet alleen betrekking op het subjectieve genot dat een drug verschaft, maar ook op de emotionele drijfveren die iemand ertoe brengen het middel te blijven gebruiken. Psychische afhankelijkheid omvat uiteraard ook het loskomen van ontredderingsgevoelens, die bij de gebruiker kunnen bestaan, met name gevoelens van angst, neerslachtigheid of ontstemming.
Hierbij komt dat psychische afhankelijkheid leidt tot extreme graden van verwarring die zo dikwijls bij druggebruik worden waargenomen. Dergelijke toestanden komen bijvoorbeeld voor wanneer een druggebruiker zijn levensstijl zo radicaal verandert dat zijn gehele leven en interesse alleen en uitsluitend om het druggebruik draaien.
Hij brengt al zijn tijd door in gezelschap van andere gebruikers, die zijn afhankelijkheid alleen maar versterken en aanzienlijke sociale veranderingen in hem teweegbrengen. Hij komt tot een gemeenschappelijk normenstelsel en gaat zichzelf beschouwen alÁ vervreemd van de gemeenschap, niet alleen omdat deze hem schijnbaar uitstoot, maar omdat hij de toestand van 'geheel geïdentificeerd worden met druggebruik' in het geheel gaat overwaarderen.
Op zo'n manier geeft het druggebruik hem een levensstijl die slechts met de grootste moeite kan worden teruggedraaid. De druggebruiker kan lid worden van een subcultuur van druggebruikers, waarvan het gedrag belangrijke consequenties voor de leden en voor de gemeenschap als geheel bezit, te meer wanneer zij zich keren tegen de normen van de gemeenschap.
Een bijna verheven gevoel van vervreemding van de gemeenschap gaat een zelfstandig bestaan leiden, waardoor gewoonlijk gehanteerde doelstellingen in het leven, zoals het verdienen van de eigen kost, worden verworpen.
Îen speciale manier van kleden en een eigen taalgebruik kunnen deel uitmaken van deze subcultuur - weliswaar niet in direct verband met het druggebruik zelf, maar als gevolg daarvan niet minder belangrijk.
Hoewel de consequenties uitsluitend op sociaal terrein liggen, maken zij deel uit van het algemene beeld van de psychische afhankelijkheid, aangezien lidmaatschap van een dergelijke subcultuur kan leiden tot psychische behoeften verbonden aan het druggebruik. Dit maakt verschil voor behandeling.
Met betrekking tot de verschillende vormen van drugsafhankelijkheid onderscheidt men de volgende syndromen:
- morfinesyndroom;
- barbituraatsyndroom;
- amfetaminesyndroom;
- hallucinogeensyndroom;
- cocaïnesyndroom;
- cannabisafhankelijkheid.
Morfinesyndroom
Dit syndroom beperkt zich niet tot morfine alleen, maar betreft ook heroïne, methadon, petidine en alle farmaca die opiumderivaat zijn, en synthetische opiumachtige middelen. Morfine bezit een euforiserende werking, vaak ook stimulerend. Het geeft een sterke lichamelijke en psychische afhankelijkheid en gewenning.
Verschijnselen en kenmerken van chronische verslaving aan morfine
Chronische verslaving leidt tot dit typische beeld:
Drugsmisbruik?
Onderzoek bij grote groepen jongeren (onder andere bij hen die een afkickprogramma volgen op een zogenoemde drugsboerderij) heeft veel gegevens opgeleverd omtrent een aantal factoren die hebben meegespeeld bij het ontstaan van het drugprobleem.
Er bleek een opmerkelijk verband te bestaan tussen de levensomstandigheden op jeugdige leeftijd en het latere druggebruik. Vooral moeilijkheden thuis en moeilijkheden op school waren bevorderende factoren.
In dit onderzoek (12-16 jr) was de hoofdoorzaak onvrede met de eigen situatie, waarbij onvoldoende of overdreven veel begeleiding door de ouders in het oog sprongen.
Moeilijkheden thuis
Factoren die mogelijkerwijs het gebruik of misbruik van drugs kunnen bevorderen:
- vader en moeder hebben vaak ruzie;
- een van de ouders overleden;
- scheiding van de ouders;
- vader of moeder alcoholist(e);
- ouder(s) vaak afwezig;
- te veel aandacht van de ouders;
- te weinig aandacht van de ouders;
- slechte woonomstandigheden;
- vader zeer driftig;
- overdreven religieus gezin;
- wederzijds onbegrip;
- broertje of zusje met handicap dat wordt voorgetrokken.
Moeilijkheden op school
Factoren die mogelijkerwijs het gebruik of misbruik van drugs bevorderen:
- pispaaltje van de klas zijn;
- weinig contact met klasgenoten;
- alleen interesse voor oudere leerlingen;
- overdreven vervelend zijn in de klas;
- totale ongeïnteresseerdheid;
- demonstratie van mateloze verveeldheid;
- dagdromen aan de lopende band;
- niet jezelf durven zijn;
- bang zijn een afwijkende mening te laten horen;
- niet durven bekennen iets niet te weten of te begrijpen.
Twaalfjarigen bevinden zich, globaal genomen, in een schijnbaar stabiele fase, net voor de puberteit, de zogenoemde latente fase. Ogenschijnlijk, want thuis houden ze zich vaak koest of op zekere afstand en gedragen zij zich naar de wens van de ouders.
Buitenskamers of op hun kamertje zijn ze ook overdreven stil en teruggetrokken, of proberen ze op allerlei manieren de aandacht te trekken (agressie, waaghalzerij, de pias uithangen, flink doen, liegen). Het lukt jongeren meestal niet geheel op eigen kracht de weg naar de volwassenheid te vinden.
En dan kan het gebeuren dat zo iemand zijn oplossing denkt te vinden in drugs. In die gevallen, dus niet wanneer iemand hasjiesj probeert uit pure nieuwsgierigheid, kan druggebruik gemakkelijk uitgroeien tot drugsmisbruik.
Die jongeren hebben ook de neiging stiekem in een stil hoekje te gaan zitten snuiven of spuiten. Of ze zoeken aansluiting bij jongeren in gelijke omstandigheden. Die aansluiting vinden ze gemakkelijker met drugs dan wanneer ze op eigen kracht contact zoeken.
Vaak is er geen sprake van echt contact, maar meer van stilzwijgend 'begrijpen' van elkaar. Zo er al wordt gesproken, gaat het meestal over drugs. Bij alcoholisten noemt men soortgelijke gesprekken dan ook wel 'droogdrinken'.
Druggebruik wordt door sommige onderzoekers beschouwd als een vorm van afwijkend gedrag is, dat zowel medisch als strafrechtelijk kan worden bestreden. Er ontbreken echter betrouwbare gegevens omtrent de omvang en de aard van het gebruik en de kenmerken van de gebruikers zijn veelal onbekend.
Het vaak veronderstelde verband tussen druggebruik bij ouderen en het aanwezig zijn van individuele sociale problemen is wetenschappelijk niet aangetoond; hoewel jongeren die relatie bij ondervraging meestal wel aangeven.
Men kan uit ervaringen van hulpverleningsinstellingen afleiden dat het druggebruik bij cliënten van deze instellingen vaak optreedt in een fase waaraan al eerder persoonlijke en sociale of relatieproblemen zijn voorafgegaan.
Voor wat de risico's betreft bestaat er, ook bij hulpverleners, een zekere neiging de verslavingsproblemen voorop te stellen.
Risico's bij het gebruik van drugs
Het gebruik van de verschillende middelen brengt een aantal risico's met zich mee:
Een belangrijke bepalende factor op sociaal gebied is de zogenoemde drugscene; dit is de afwijkende subcultuur, waarin het verschijnsel drugs een centrale en verbindende rol speelt. Het woord scene (tegenwoordig spreekt men al van 'sien') is afkomstig van het Amerikaanse slang. Letterlijk opgevat betekent het 'de plaats waar zich alles afspeelt'. Men spreekt van diverse subculturen als van de 'ballet-scene', de 'fashion-scene,' de 'pop-scene' en de 'jazz-scene'. Toch wordt de uitdrukking niet, of niet uitsluitend, bedoeld als topografische aanduiding van een plaats of plaatsen.
Veeleer gaat het om het geheel van personen, activiteiten en plaatsen van ontmoeting, met als verbindend element een gemeenschappelijke interesse. Voortdurend zijn drugs aanwezig, er kan over worden beschikt, er wordt over gepraat, prestigeverhoudingen worden bepaald door de wijze waarop met drugs wordt omgegaan (en welke drugs worden gebruikt), er is voorkeur voor muziek, waarin een relatie met drugs in casu LSD, heroïne, hasjiesj, cocaïne en crack wordt gelegd. Vaak wordt in een dergelijke situatie ook geëxperimenteerd met nieuwe drugs.
Er is geen sprake van één enkele drugscene; veeleer gaat het om verschillende, onderling niet of nauwelijks verbonden netwerken. De drugscene is ook het milieu waarin en waardoor de gebruiker tot de middelen wordt gebracht.
Hier is ook sprake van een 'leerproces' waarbij de technieken van het gebruik worden aangeleerd, en de appreciatie van het effect, de euforie, wordt bijgebracht. Dit leerproces is in principe niet verschillend van het proces waarbij in de erkende cultuur het gebruik van en de waardering voor alcoholische dranken wordt bijgebracht, of aan nog jongeren, het gebruik van koffie en thee.
De nieuweling wordt als het ware ingelijfd in een bepaalde groep. Bij dit inlijvingsproces gaat het niet alleen om het aanleren van het gebruik van een bepaald middel.
De afwijkende subcultuur hanteert een stelsel van afwijkende normen, betrekking hebbend op een reeks gedragingen en opvattingen, waarvan het druggebruik er slechts één is. Van de groep uit gezien behoeft het druggebruik geenszins een duidelijke centrale plaats in te nemen in het geheel van de specifieke gedragingen.
10/03/2003
Medica Press