
De peuter van één jaar valt doorgaans in slaap tussen 6 en 8 uur ’s avonds. Bij enkele kinderen horen slaap en inslapen na de maaltijd nog bij elkaar. Sommige kinderen echter verzetten zich tegen het naar bed gaan voor ze slaperig zijn, maar gaan zoet mee als ze slaperig worden en slapen dan ook snel.
Nog anderen gaan dadelijk na de maaltijd naar bed en blijven boven op de dekens zitten spelen of scharrelen door hun ledikantje, tot ze op de dekens in slaap vallen.
De meeste kinderen slapen door tot 6 of zelfs 8 uur ’s morgens. Ze kunnen nog twintig minuten ‘zoet’ blijven als ze wakker zijn, maar meestal beginnen ze om hun moeder te roepen, huilend of met ‘eh’-klanken.
Als ze geroepen hebben lijkt het of ze eerst op antwoord wachten en als de moeder verschijnt wordt ze met opgewekt gebrabbel begroet; soms kijkt de peuter alsof hij nog meer leden van het gezin verwacht.
Wanneer een dutje volgt op het bad ’s morgens of een vroege lunch is er geen verzet van het kind en slaapt het vlot in, maar wanneer hij er behoefte aan krijgt in de loop van de morgen toont hij dat door lastig te zijn of aan zijn oren te plukken; ligt hij eenmaal in bed, dan slaapt hij gauw.
Net als ’s morgens vroeg vraagt hij dadelijk de aandacht als hij wakker wordt en is blij zijn moeder te zien, wordt op het potje gezet en verschoond en kan het heel goed een half uur alleen in de box uithouden met een biscuit en zijn speelgoed, eer hij zijn lunch krijgt.
Gewoonlijk nog slechts één dutje per dag, bijvoorbeeld van 11.00-11.30 tot 12.30-14.00 uur. Soms komt daar af en toe nog een dutje vroeg in de morgen of laat in de middag bij.
Ontlasting
Een- tot tweemaal per dag, tussen 8 en 9 uur ’s morgens en in de loop van de middag. Soms doet het kind het op een potje, wanneer de ontlasting vlak na het ontbijt komt. ‘Succes’ op het potje komt minder voor dan tevoren en er is meer verzet.
Urineblaas
Vaak is het kind droog na het dutje en ook wel wanneer het in de loop van de nacht of ’s morgens vroeg wakker wordt en dadelijk na het ontwaken op het potje wordt gezet, al komt er soms weer een terugval.
Meisjes van 40 tot 52 weken lachen dikwijls wanneer ze een plas doen, hebben belangstelling voor wat er gebeurt en kijken na afloop in het potje om te zien wat ze gepresteerd hebben. Soms willen ze de vinger in het plasje steken en ze gooien graag toiletpapier in het potje of spoelen de wc door.
Het kind ontwikkelt in zijn box of ledikantje een grote beweeglijkheid, trekt zich overeind, krabbelt heen en weer, staat los, kruipt. De peuter kruipt liever over de vloer dan door zijn box. Gewoonlijk zal hij in zijn box in de tuin of binnenshuis ’s morgens een uur lang zoet zijn met gymnastische toeren of met speelgoed. Hij zet graag allerlei dingen op zijn hoofd, bijvoorbeeld een hoed, een muts of een kopje.
Herhaaldelijk gooit hij iets buiten de box en dan is het moeilijk het weer naar zich toe te halen. Bezigheden die bij het liefst beoefent zijn die welke fijne bewegingen vragen: voorwerpen in en uit iets anders doen (bijvoorbeeld lepels of blokjes in en uit een mandje doen), met knopen spelen, dat bestaat uit kijken naar de knopen en ze met de vinger heen en weer schuiven.
Met één jaar is het kind een zeer sociaal wezentje. Het houdt ervan iets uit de delen en van anderen te krijgen en zo is er dikwijls onopzettelijk aanleiding tot gezellig spelen. ’s Morgens speelt het kind gewoonlijk alleen in zijn box, hoewel anderen uiteraard wel eens notitie van hem nemen.
Behalve bij de dagelijkse verzorging heeft de peuter in hoofdzaak zijn gezelligheidsuurtje in de namiddag. Hij geniet van zijn rit in de wandelwagen en heeft speciale belangstelling voor bewegende objecten (bijvoorbeeld auto’s en fietsen).
Speelgoed neemt niet meer zijn gehele aandacht in beslag. Hij loopt graag aan het handje en vindt het een heerlijk spelletje als men probeert hem te pakken terwijl hij over de vloer kruipt.
Hij verschuilt zich graag achter stoelen en geniet als men meedoet met uitroepen als ‘waar is het kindje’ of wuift ‘dag-dag’. Hij heeft belangstelling voor het openen van deuren. Hij zegt ‘eh’ of ‘ta-ta’ wanneer hij een volwassene iets aangeeft, maar hij verwacht dat hij zijn gave ogenblikkelijk terugkrijgt. Hij gooit van alles op de vloer in de verwachting dat het voor hem wordt opgeraapt.
Hij huilt of schreeuwt wanneer hem iets wordt afgenomen. Hij waardeert ritmische beweging. Hij kan geremd worden als men ‘nee-nee’ schudt, maar vat het soms als een spelletje op, waarom hij moet lachen en gaat dan rustig met het verbodene door.
Er kan nu een tijd komen dat hij verlegen is voor mensen die hij niet kent, maar als deze periode achter de rug is, zal hij weer net zo vriendelijk zijn als tevoren.
Bedtijd valt tussen 6 en 8 uur 's avonds en zal geregeld en ordelijk een einde maken aan de bedrijvigheid van de dag. De volgorde kan bijvoorbeeld zijn: avondeten, bad, bed. Het kind schijnt te beseffen wanneer het tijd is om naar bed te gaan; het verwacht na bepaalde punten van het dagelijks programma naar bed gebracht te worden.
Of een kind in de nacht wakker wordt hangt af van zijn eigen aard; actieve kinderen komen dan meestal niet tot rust voor ze worden opgenomen. Men kan ze tot rust brengen door ze uit het raam naar lichtjes te laten kijken of door een ander spelletje.
Een dutje volgt gewoonlijk op de middagmaaltijd. Een algemene aanwijzing voor de behoefte aan slaap is dat het kind zijn schoenen uittrekt. Gewoonlijk gaat het dadelijk liggen en valt direct in slaap. Er zijn kinderen die nog korte tijd wakker blijven en een paar minuten met speelgoed bezig zijn, eer ze boven op de dekens in slaap vallen. Ze worden wakker na twee tot drie uren en zijn dan dadelijk bereid op te staan.
Ontlasting
Een- tot tweemaal daags komt er ontlasting, al kan soms een dag overgeslagen worden; bij sommige kinderen komt de ontlasting nog in de morgen, bij het wakker worden of omstreeks het ontbijt. Er zijn er die vrij geregeld ’s middags ontlasting hebben, bij"oorbeeld na de middagmaaltijd of in aansluiting op het middagdutje. Verzet tegen de zitting op het potje - van twaalf tot vijftien maanden gebruikelijk - maakt plaats voor gewilligheid.
Wanneer het kind er op een gunstig moment, bijvoorbeeld vlak na de maaltijd, op wordt gezet (gewoonlijk na het ontbijt) bestaat er alle kans dat het zijn ontlasting in het potje zal deponeren.
Op sommige dagen zal het misschien geen ‘succes’ hebben, voor hij van het potje is opgenomen, al bleef hij er heel tevreden op zitten. Een gunstig moment om het kind op het potje te zetten kan zijn als zijn moeder opmerkt dat het kind plotseling heel stil wordt of zijn moeder aankijkt of knort en gaat hurken.
De peuter begint al te beseffen dat er ontlasting in zijn broekje terechtkomt en wordt onrustig, zegt ‘uh’ of grijpt naar zijn broek, om te kennen te geven dat hij verschoond wil worden, vooral wanneer er een ouder in de buurt is.
Hij eist minder aandacht op als hij in zijn bedje ligt of in zijn box speelt en doet af en toe zelfs pogingen eigenhandig zijn broek uit te trekken. Nu en dan komt het op deze leeftijd voor dat het kind met ontlasting gaat ‘smeren’, wanneer bij alleen in zijn bed ligt of in zijn box zit.
Het is van veel belang dat zijn kleren goed sluiten en er goed op gelet wordt dat hij niet met zijn ontlasting knoeien kan. Hij moet dan direct worden verschoond als hij zich bevuild heeft.
Blaas
De peuter is vaak droog na zijn dutje, wanneer hij onmiddellijk wordt opgenomen. Hij schijnt er op deze leeftijd meer besef van te hebben als hij nat is. Als hij door zijn broekje heen een plas op de vloer heeft gedaan kan hij ernaar wijzen en zeggen ‘ba-ba’ of enkel ‘da’.
Soms steekt hij zijn handen in het plasje of doet zijn best het met een of andere doek op te nemen. Hij reageert vrij geregeld met een plasje te doen als hij op een potje wordt gezet, vooral op geschikte momenten, bijvoorbeeld na de maaltijden en voor of na het slapen gaan.
Misschien doet hij de plas pas als hij van het potje opgenomen is, zoals dat ook bij de ontlasting het geval is. Verzet komt voor als men de peuter op het potje zet zonder dat hij er behoefte aan heeft, of midden op de morgen of middag. Sommige kinderen blijven nu al (tijdelijk althans) twee tot drie uren achtereen droog.
Peuters van deze leeftijd kunnen heel zoet zelf bezig zijn op de volgende momenten: voor het opnemen ’s morgens vroeg, een uur lang in de kamer of het bedje en dan ’s morgens nog eens een uur in de box.
Ze kunnen niet te lang achtereen op dezelfde plaats blijven en houden van verandering. Naarmate de dag vordert stellen de kinderen meer eisen.
Als ze pas wakker zijn vragen ze niet om speelgoed, maar oefenen alle mogelijke bewegingen. Speelgoed willen ze hebben als ze naar hun kamer worden teruggebracht en zij houden er van naar allerlei bedrijvigheid te kijken als zij in hun box zijn, zoals bijvoorbeeld naar het verkeer en voorbijgangers. Hun voorkeur gaat uit naar ballen, lepels, kopjes, dozen en voorwerpen die in elkaar passen. Het rustigst spelen de kleintjes met speelgoed als zij tussen 9 en 10 uur alleen in de kamer zijn en ’s morgens hun bewegingsdrang in alle mogelijke gymnastische toeren hebben kunnen uitleven.
Dan proberen ze iets ergens in te mikken, halen het er weer uit, gooien een bal weg en halen hem terug en als zo’n peuter moe wordt gooit hij zijn speelgoed uit de box of het bedje, of legt het achter zich neer.
De periode van eenkennigheid, die omstreeks de eerste verjaardag valt, is gewoonlijk voorbij en een kind van vijftien maanden wil niets liever dan in zijn wandelwagentje eropuit trekken. Sommige peuters zitten of staan nog in de wandelwagen en genieten vooral van alle klanken uit de buitenwereld. Ze horen een hond blaffen, een paard trappelen, het ronden van een vliegtuig.
Bij een onverwacht schel geluid gaan ze wel eens huilen. Kijken doen ze ook graag, maar luisteren nog liever. Sommige peuters hebben een sterke bewegingsdrang en zeuren na een kwartier tot een half uur om uit de wagen te mogen en hem zelf te duwen.
Een uur lang uit met de wandelwagen is op deze leeftijd ruim voldoende. Een peuter van vijftien maanden houdt er zijn eigen opvatting van wandelen op na; hij bukt zich om stokjes te rapen, buigt zich voorover om tussen zijn benen door te kijken en brengt alles wat hij vindt naar zijn vader of moeder en oefent alle woorden die hij kent.
Meestal is zo’n kind dol op honden en zegt vaak ‘waf-waf’, doet alles na zoals roken, niezen, neus snuiten en lucifers uitblazen. In feite wordt een peuter zo bedrijvig dat hij geremd moet worden. Als hij aan tafel zit, wil hij alles hebben wat hij ziet. Hij heeft belangstelling voor alles wat hij in de huiskamer om zich heen ziet en als men ‘nee’ schudt trekt hij er zich weinig meer van aan; hij gaat doelbewust zijn eigen gang.
Wanneer hij in de huiskamer speelt moeten bepaalde voorwerpen buiten zijn bereik worden gezet. Zijn voorkeur gaat overigens nog steeds uit naar de prullenmand. Zijn blik doorzoekt een vertrek en schijnt er altijd de prullenmand uit te plukken. Niets vindt hij heerlijker dan de inhoud eruit te halen en er weer in te doen, al gebeurt dat laatste niet zo dikwijls.
Tegen het eind van de middag wil een peuter wel eens graag naar gekleurde plaatjes kijken en slaat zelf de bladzijden om. Hoort het kind muziek, dan danst het er heupwiegend bij.
31/01/2003
Medica Press