Overzichtspagina Gezondheid > Het menselijk lichaam > Groei en ontwikkeling

Groei en ontwikkeling

Groei en ontwikkeling


3. Cognitieve functies

De cognitieve psychologie houdt zich bezig met het verwerven van kennis over de aard, de oorsprong en de ontwikkeling van de hogere mentale processen, zoals waarnemen, denken, begripsvorming, taal, intelligentie en abstractie. Cognitieve processen ontwikkelen zich gelijktijdig, beïnvloeden elkaar en zijn van elkaar afhankelijk en soms nauwelijks van elkaar te onderscheiden. Verder staat uiteraard de cognitieve ontwikkeling niet los van andere aspecten van de psychische ontwikkeling.

Motivatie beïnvloedt in sterke mate het denken, waarnemen en oplossen van problemen.
Ook de persoonlijkheidsstructuur en de psychoactiviteit hebben echter een sterke invloed op de cognitieve functies.
Een van de belangrijkste grondleggers van de cognitieve psychologie was prof. Jean Piaget. De theorie van Piaget heeft drie belangrijke kenmerken.

  • In de eerste plaats gaat hij ervan uit dat mensen inderdaad georganiseerde mentale structuren zijn om de werkelijkheid van alledag te begrijpen.

  • Ten tweede stelt Piaget dat de mens tijdens zijn ontwikkeling spontaan nieuwe structuren opbouwt. Hoe ouder het kind, des te stabieler en krachtiger zijn de structuren. Oudere mentale structuren gaan in op nieuwe structuren, dat wil zeggen: de mentale structuren van zuigeling, kind en volwassenen zijn kwalitatief anders.

  • Ten derde ziet Piaget wetenschappelijk denken als het hoogste stadium, een stadium dat volgt op andere, stabiele en georganiseerde vormen van denken.

Het kenmerkende van wetenschappelijk denken is het systematisch in het openbaar rechtvaardigen van conclusies. Het kind in de onderzoeksituatie moet dan ook een oordeel geven en dit oordeel in de sociale situatie van het onderzoek rechtvaardigen. Piaget ziet de cognitieve functies als aanpassingsgedrag. Hij deelt de cognitieve ontwikkeling in in drie min of meer onderscheiden hoofdfasen, die stapsgewijs in elkaar overgaan:

- sensomotorische handelingen;
- concrete handelingen;
- formele handelingen.

Sensomotorische handelingen
De eerste fase in de ontwikkeling van de cognitieve functies is die van de sensomotorische handelingen. Deze fase duurt van de geboorte tot anderhalf à twee jaar. De zuigeling heeft slechts een beperkt aantal reflexen ter beschikking. Langzamerhand worden deze reflexen en reacties gecoördineerd, doelgericht.
Daarna leert het kind onderscheid maken tussen middel en doel, gaat actief experimenteren en is ten slotte in staat nieuwe middelen uit te vinden om het doel te bereiken (bijvoorbeeld een stok gebruiken om een voorwerp naar zich toe te halen).

Concrete handelingen
De tweede fase in de ontwikkeling van de cognitieve functies is die van de concrete handelingen. Deze fase strekt zich uit van twee tot elf-twaalf jaar. Het kind begint bepaalde prikkels te zien als vertegenwoordigers van andere voorwerpen. De driewieler wordt als raceauto gezien.
De begripsvorming neemt toe, maar wordt bepaald door een belangrijk aspect van een zeker voorwerp. Het kind leert classificeren, tellen en reeksen plaatsen, maar steeds bij het hanteren van concrete voorwerpen, niet bij het mondeling voorstellen.

Formele handelingen
De derde fase in de ontwikkeling van de cognitieve functies betreft die van de formele handelingen. Het kind leert werken met abstracte symbolen, met veronderstellingen en hypothesen. Het kan de vorm van een argument volgen, terwijl het de concrete inhoud negeert.
Piaget ziet de ontwikkeling van het kind als een opeenvolging van drie verschillende fasen, waarin het gedrag begrepen wordt vanuit het voor iedere fase specifieke kennissysteem.


4. Waarneming

In het begin van de zuigelingenperiode is de wereld nogal diffuus georganiseerd. Wat het kind ziet, passeert de revue zonder enige betekenis. Toch worden er reeds snelle verbindingen gelegd tussen gebeurtenissen, maar het betreft meestal een heel persoonlijke relatie. Dit persoonlijke is niet op te vatten als ‘ik’, daar de zuigeling nog geen onderscheid kan maken tussen ‘ik’ en de rest van de wereld.
Heeft het kind honger, dan is er alleen maar honger (de wereld is honger). Men noemt dit ook wel egocentrisme, waarmee een gevangen zijn in de eigen ervaring wordt bedoeld.

Een wereld buiten deze momentane ervaring bestaat nog niet. In de eerste weken van zijn leven is de informatieve waarde van de waarnemingen voor het kind zeer gering. Vermoedelijk ziet de baby dat wat wij zien als we afwezig staren. Ongeveer dezelfde vaagheid bestaat met betrekking tot het gehoor en gevoel.
De teruggetrokkenheid van de wereld wordt slechts doorbroken door plotselinge heftige prikkels, zoals fel licht, luide knallen en pijn, honger en kou. De gebeurtenissen in de directe omgeving van de zuigeling zijn dus neutraal, zoals ook dat wat we zien als we staren neutraal is, of angstwekkend.

Na een aantal weken gaat de zuigeling differentiëren. Naast ongerief en neutraliteit kent hij nu plezier. Langzaam onderscheidt hij iets warms dat hem in de armen houdt: de moeder. Naast plezier en lustervaring in de orale sfeer, geniet hij ook van huidcontact en schommelbewegingen.
Het kind neemt nu een aantal objecten bewuster waar, in die zin dat het objecten zijn die een emotionele betekenis hebben: flesje (warm, verzadiging), moeder (troost, warm, eten). De zuigeling neemt steeds de betekenis eerder waar dan het object zelf. Bij volwassenen blijft dit in mindere mate ook het geval.

In het begin hebben objecten betekenis voor wat ze voor het kind kunnen doen, na een maand of drie voor wat het kind met de objecten kan doen. Het kind differentieert objecten alleen naar deze betekenis. Uit het ongedifferentieerde, vage waarnemingsveld treden die aspecten naar voren die voor het kind betekenis hebben.
Op dezelfde wijze krijgt ruimte betekenis. Zolang ruimten of ruimtelijke aspecten voor het kind geen betekenis hebben omdat die ruimte nog geen appèl tot activiteiten bewerkstelligt, zolang is die ruimte voor het kind praktisch niet existerend.

De waarneming van de wereld groeit dus uit behoeften en emoties enerzijds en motorisch gedrag anderzijds. Wat een kind met objecten doet hangt niet alleen af van wat het ermee kan doen maar ook van het denkt dat het ermee kan doen (niveau van ontwikkeling van het zenuwstelsel en bewegingsapparaat) en van de momentane motivatie (is het nieuw, bekend, heeft het kind er net mee gespeeld).
Heeft een object uitnodigingskarakter, dat wil het kind ermee spelen. Zijn er te veel objecten die het kind tot actie inviteren, dan raakt het verward.

Het kind is aan de invitaties uitgeleverd en kan zich dus niet van een aantal voorwerpen afwenden om zich tot één voorwerp te beperken.
Voor de waarneming is het actief manipuleren van groot belang (vergelijk ‘begrijpen’). Het niet kunnen manipuleren met iets leidt tot afwijkingen in de ruimtelijke waarneming.

Visuele waarneming
De visuele waarneming is voor volwassenen de belangrijkste waarnemingsvorm. Hieraan gaat echter een lang ontwikkelingsproces vooraf. De eerste zes maanden is de mond voor het kind het belangrijkste waarnemingszintuig. Na een half jaar vooral de tastzin en het manipuleren. Zodra het kind kan lopen doet het ervaring op met de gehele motoriek. Het kind ziet iets en wil het betasten. Het is een belangrijke mijlpaal in de ontwikkeling als het kind veel later een object kan zien zonder het te betasten.

De waarneming van verschillen in vorm is reeds vroeg aanwezig. Baby’s van een paar weken kunnen verschillen in vorm van objecten waarnemen. Met anderhalf jaar heeft het kind een uitgesproken belangstelling voor vormen. De drie- tot zesjarigen hebben meer belangstelling voor kleuren dan voor vormen. Na die leeftijd is de vorm weer belangrijker. Onderscheid tussen getallen en letters wordt geleidelijkaan geleerd en is met vijf jaar goed ontwikkeld.

Onderzoekingen hebben aangetoond dat het onderscheidingsvermogen van op elkaar lijkende letters zoals p en q, d en b tussen de leeftijden van vier tot acht jaar gestaag verbetert. De waarneming van delen en details ontwikkelt zich geleidelijk met het toenemen van de leeftijd tot een jaar of achttien.
Toont men een vierjarige een plaatje met strepen en in een hoek een cirkel, dan zal deze de cirkel niet noemen, een zevenjarige wel. Het herkennen van geometrische figuren in ingewikkelde patronen lukt de zesjarigen nauwelijks.

De acht tot tienjarigen brengen het er veel beter af, maar ondervinden toch veel moeilijkheden. Een belangrijke verbetering vindt plaats tussen de tien en dertien jaar, waarna de prestaties verder verbeteren tot na de puberteit.
De waarnemingsconstanties ontwikkelen zich geleidelijk. De grootte-constantie is het vermogen om twee objecten op verschillende afstanden als even groot te herkennen, hoewel de projectie van het verste object op het netvlies veel kleiner is. Deze eigenschap begint zich te ontwikkelen vanaf de eerste weken.

Met betrekking tot de visuele waarneming zijn nog twee andere parameters van belang: helderheidsconstantie en vormconstantie. De helderheidsconstantie is het vermogen de helderheid van een object te beoordelen ongeacht de helderheid van de omgeving. De ontwikkeling van de helderheidsconstantie lijkt erg op die van de vormconstantie. Deze laatste parameter betreft het vermogen een object te herkennen ook al wordt het uit een heel andere hoek bekeken.


1 2 3 4 5 6 7 8 9


31/01/2003
Medica Press


Pub


Pub

Verzekeringsruimte

Pub