• rating
    • rating
    • rating
    • rating
    • rating
    2 mening
  • Commentaren (0)

Als nagelbijten een handicap wordt

Als nagelbijten een handicap wordt Nagelbijten - soms tot bloedens toe - is niet zonder gevolgen, vooral op sociaal vlak. Naast lokale behandelingen, die niet altijd zeer doeltreffend zijn, is ook gedragstherapie zinvol.

Onychofagie is de medische term voor de neiging om voortdurend op de nagels te bijten. Deze gewoonte komt bijzonder vaak voor tijdens de kinderjaren en de adolescentie en wijst op een lichte labiliteit, zoals die voorkomt bij nerveuze kinderen. Volgens de definitie "is nagelbijten een manier om de spanningen te ontladen die voortvloeien uit het streven naar een compromis tussen agressiviteit (zin om te bijten) en oraal genot (duimzuigen)". De doeltreffendheid van lokale behandelingen zoals het aanbrengen van bittere lak op de nagels is zeer wisselend. Toch is deze gedragsvorm meestal voorbijgaand en onschuldig, tenzij ze gepaard gaat met psychomotorische stoornissen (tics, aan de haren pulken enz.). Toch kan nagelbijten - soms tot bloedens toe - ernstige gevolgen hebben, vooral op sociaal vlak. Naast de talrijke, min of meer empirische technieken - van straffen tot het aanbrengen van aloë op de nagels - , die allemaal min of meer doeltreffend zijn, is gewoonteverandering een gedragstechniek die ten onrechte miskend wordt in ons land. Vandaar dat wetenschappers geprobeerd hebben om te bewijzen dat deze gedragstherapie wel degelijk werkt, door ze te vergelijken met een placebo. De placebobehandeling bestond uit een gewone discussie over nagelbijten, terwijl de gewoonteveranderingstechniek inhield dat de persoon in kwestie moest noteren op welke momenten hij precies op zijn nagels beet. Vervolgens moest hij in plaats daarvan een andere gedragsvorm aanleren, bijvoorbeeld gedurende één minuut met zijn pols schudden. Daaruit blijkt duidelijk dat deze methode doeltreffender is dan de placebo, zoals te zien is op de foto's van de nagels voordien… en nadien!

Artikel gepubliceerd door op 10/06/2003

Bronnen: Twohig M.P. et coll., J. Clin. Psychiatry, 64 : 40-48, 2003.

Vindt u het artikel interessant?